Wonderen van Jezus

De wonderen van Jezus Christus,
in bijbelse volgorde.

Een wonder van Jezus Christus, ook iets om heel erg blij van te worden!

Een wonder wordt in de huidige woordenboeken gedefinieerd als een fenomenale of bovennatuurlijke gebeurtenis in de fysieke wereld die alle voor ons bekende menselijke of natuurlijke krachten overtreft, en niet kan worden verklaard door de bij ons bekende natuurwetten. God werkt nooit in strijd met Zijn Woord of met de natuurwetten die Hij heeft vastgesteld, maar Hij heeft wel het voorrecht om deze te vervangen.

Jezus Christus was niet de eerste die wonderen deed. Er waren veel wonderen van God in het Oude Testament. De tien plagen in Egypte, de doortocht van de Rode Zee, het manna uit de hemel, het water uit een rots, de staf van Aaron die ging bloeien, de grond die opende, en Korah en de rebellen opslokte, de zon en de maan die stil stonden, de drie Judeeërs in de vurige oven van Nebukadnezar, Daniel in de leeuwenkuil en vele anderen. Maar Jezus ‘wonderen waren onderscheidend. Het waren tekens en machtige werken die Zijn Goddelijkheid en Zijn missie authentiek maakten. Mensen hadden de verhalen gehoord over de God van wonderen en Zijn ontzagwekkende en verbazingwekkende kracht, maar de wonderen van Jezus wekten unieke reacties op. “… Ze waren allemaal verbaasd en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nog nooit zoiets gezien. (Markus 2:12) En zij waren innerlijk geheel buiten zichzelf, en zij verwonderden zich ”(Markus 6:51) En zij stonden bovenmate versteld en zeiden: Hij heeft alles goedgemaakt. (Markus 7:37)

“God zalfde Jezus van Nazareth met de Heilige Geest en met kracht, die goed deed en allen genas die door de duivel werden onderdrukt, want God was met Hem.” (Handelingen 10:38)

Hierna volgt een lijst van de wonderen van Jezus met bijbehorende Geschriften. “En waarlijk, Jezus deed vele andere tekenen in de aanwezigheid van Zijn discipelen, die niet in dit boek zijn geschreven; maar deze zijn geschreven opdat je gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en dat je door te geloven, leven zult hebben in Zijn Naam. ”(Johannes 20:30, 31)

Controle van de natuur.

  • 1. Jezus stilt de storm – Mattheüs 8: 23-27; Markus 4: 37-41; Lukas 8: 22-25
  • 2. Eerste wonderbare spijziging – Mattheüs 14: 14-21; Markus 6: 30-44;
    Lukas 9: 10-17; Johannes 6: 1-14
  • 3. Lopen op water – Mattheüs 14: 22-32; Markus 6: 47-52; Johannes 6: 16-21
  • 4. Tweede wonderbare spijziging – Mattheüs 15: 32-39; Markus 8: 1-9
  • 5. De vis met een munt – Mattheüs 17: 24-27
  • 6. Verwelkte vijgenboom – Mattheüs 21: 18-22; Markus 11: 12-14, 20-25
  • 7. Enorme visvangst – Lukas 5: 4-11; Johannes 21: 1-11
  • 8. Water in wijn – Johannes 2: 1-11

Genezing van individuen.

  • 1. Man met melaatsheid – Mattheüs 8: 1-4; Markus 1: 40-44; Lukas 5: 12-14
  • 2. Dienaar van de Romeinse centurio – Mattheüs 8: 5-13; Lukas 7: 1-10
  • 3. De schoonmoeder van Petrus – Mattheüs 8: 14-15; Markus 1: 30-31; Lukas 4: 38-39
  • 4. De 2 Gadareense bezetenen – Mattheüs 8: 28-34; Markus 5: 1-15; Lukas 8: 27-39
  • 5. De verlamde man – Mattheüs 9: 2-7; Markus 2: 3-12; Lukas 5: 18-26
  • 6. De bloedvloeiende vrouw – Mattheüs 9: 20-22; Markus 5: 25-34; Lukas 8: 43-48
  • 7. Twee blinde mannen – Mattheüs 9: 27-31
  • 8. Bezeten man die niet kon spreken – Mattheüs 9: 32-33
  • 9. Kananese vrouw – Mattheüs 15: 21-28; Markus 7: 24-30
  • 10. De maanzieke jongen – Mattheüs 17: 14-21; Markus 9: 17-29; Lukas 9: 38-43
  • 11. Twee blinde mannen – inclusief Bartimeüs – Mattheüs 20: 29-34;
    Markus 10: 46-52; Lukas 18: 35-43
  • 12. De bezeten man in de synagoge – Markus 1: 21-28; Lukas 4: 31-37
  • 13. Blinde man in Bethsaïda – Markus 8: 22-26
  • 14. Verlamde vrouw – Lukas 13: 10-17
  • 15. Man met waterzucht – Lukas 14: 1-4
  • 16. De tien melaatse mannen- Lukas 17: 11-19
  • 17. De dienaar van de hogepriester – Lukas 22: 50-51
  • 18. Zoon van de hoveling in Kapernaüm – Johannes 4: 46-54
  • 19. Zieke man bij het bad van Bethesda – Johannes 5: 1-15
  • 20. Blind geboren mens – Johannes 9: 1-41

Doden opwekken.

  • 1. Jaïrus ‘dochter – Mattheüs 9: 18-26; Markus 5: 21-43; Lukas 8: 40-56
  • 2. Zoon van de weduwe in Naïn – Lukas 7: 11-17
  • 3. Lazarus – Johannes 11: 1-44
Delen